STOTTERPRAAT – de toekomst van stotteren

Coen Winkelman, november 2019​ 

Recent was sportverslaggever en columnist Auke Kok bij DWDD. ‘Wist je dat Auke Kok stotterde’ vroeg iemand die hem de lastige vragen van Matthijs van Nieuwkerk hoorde beantwoorden. Zijn minimale rest-stotters waren mij inderdaad eerder opgevallen. Ik noem hem en andere BN-ers vaak als bewijs dat stotteren in veel gevallen vrijwel helemaal kan verdwijnen.

Het is vaak een troost voor cliënten te weten dat kleine ‘stotterrestanten’ dan voor de leek nauwelijks te onderscheiden zijn van normale niet-vloeiendheden. Kok bevindt zich in goed gezelschap: Mr. Bean, Douwe Bob, Frans Bauer, Miss Montreal…

De opsomming van bekende artiesten met een al dan niet overwonnen stotterprobleem was een leuke binnenkomer van het nieuwe ‘chille’ Klokhuisfilmpje* van 22 oktober. Ook het broddelstotteren van Erben Wennemars valt nauwelijks meer op. En wie weet nog dat Herman Finkers er ook wat van kon?

Een terugvalletje bij bepaalde emoties bewijst dat boze stottergenen niet altijd helemáál zijn weg te branden, maar… bij velen is het vroegere stotteren nog slechts een stofje op de ziel in plaats van een steen om de nek.

Regelmatig hoor ik de opmerking ‘Je hoort tegenwoordig veel minder mensen die stotteren’. Ik vraag me af of het al decennialang rondzingende aantal 1% van de wereldbevolking nog wel geldt voor Nederland. Dus nog steeds 175.000 landgenoten met een stotterprobleem, waarvan 20.000 ernstig? Hoe ernstig? Is er de laatste 50 jaar dan niets bereikt?

Juist de laatste decennia heeft het Stotterfonds de noodzaak van secundaire preventie benadrukt. Ook huisartsen, consultatiebureaus en andere verwijzers weten doorgaans dat je niet moet wachten tot het kind zes is, omdat kinderen met stottertalent dan drie jaar het stotteren 'lekker kunnen oefenen'. Met voorlichting op scholen, ouderbegeleiding en/of directe therapie in de eerste lijn worden risicosymptomen en risicofactoren waar mogelijk beïnvloed. Dat dit steeds vaker leidt tot overwegend licht of nauwelijks beperkend stotteren lijkt een gerechtvaardigde aanname.

Fijn, zou je zeggen, maar hoe ziet de toekomst er uit?

De zojuist bejubelde secundaire preventie van stotteren door logopedie in de eerste lijn staat stevig op de tocht door te hoge werkdruk en een te laag tarief, onze ‘Malieveldboodschap’. Er is een tendens dat veel eerstelijners er de brui aan geven. Maar minstens zo zorgelijk is dat voor het trainen van specifiek logopedische vaardigheden op de initiële logopedieopleiding al jaren steeds minder uren beschikbaar zijn.

Meer Ehealth is de algemene tendens op ministerieel beleidsniveau rond (paramedische) Zorg. De overheid stuurt op trainingsactiviteiten via app’s en op interprofessioneel handelen bij complexe casussen. Gebruik van app’s staat nog maar in de kinderschoenen en vraagt juist veel vakkennis en didactische vaardigheden, met name bij een aanzienlijke categorie kinderen met comorbide problemen en voor hun ouders. Niet iedereen in de eerste lijn heeft een cursus DCM, Lidcombe of broddelen gevolgd. Meer dan ooit zijn zij afhankelijk van toch al drukbezette stottertherapeuten. Maar niet elke regio heeft een groepspraktijk met een stotterspecialist.

Volgens een cynisch scenario zal wellicht het ontbreken van goede vroege opvang in de eerste lijn meer emplooi genereren voor gespecialiseerde stottertherapeuten.

Veel of weinig cliënten met gevestigd stotteren – wat hebben we hen in de toekomst te bieden? Accepteren en er mindful mee leren leven als rode draad in dienst van het participatieniveau, of toch focussen op de hulpvraag: ‘Ik wil beter spreken’?

Op die vraag gaan de meeste additionele, niet reguliere collega’s gretig in. De erg hoge verwachtingen die (de marketing van) hun vaak eenzijdige one-size-fits-all methode oproepen hebben heel vaak een hoog placebogehalte.

Met minder training in ‘maatwerk spreektechnieken’ in de opleidingen, zelfs in die van de ECSF prijzen we ons uit de markt. ‘Maatwerk  spreektechnieken zijn niet evidence based’, hoor je vaak. Klopt: zelfs de klassieke Van Ripertechnieken zijn dat niet volgens de huidige criteria. Daar is het maatwerk voor.

De focus op intensieve training van de verbaal-motorische component dreigt verder te vertroebelen door teveel nadruk op de overige componenten. 

Vakkundig maatwerk is vereist om de juiste oefeningen in de juiste opbouw en met de juiste oefenfrequentie aan te bieden. Andere spreektechnieken op de automatische piloot krijgen (de neurale robot) vereist eerst individuele training. Volgens inzichten vanuit de neuropsychologie kan de transfer pas in beeld komen na grondige ‘conditietraining’ van motorische acties. In sommige gevallen kan dan een geleidelijke ‘onbewuste’ transfer vooraf gaan aan het expliciet oefenen in situaties. Over de werking van het (on)bewuste is steeds meer bekend.

Vóór de transfer intensief trainen vergt een andere visie op aandachtstraining dan met een ‘mindfulness’ benadering. Veel neurowetenschappelijk onderzoek over neurale plasticiteit rond vormen van motorische training (bij sport, muziek, revalidatie en executieve vaardigheden) geeft uitkomsten die verantwoord geëxtrapoleerd kunnen worden naar de stem- en spraakmotoriek.

 

Er liggen veel uitdagingen, inhoudelijk maar ook beleidsmatig, voor de politiek en beroepsverenigingen. Meer erkenning van de Zorg voor onze expert/practice based methodieken moet voorkomen dat de efficiënte eerste lijn er aan gaat, niet alleen voor stotteren.

Wat kunnen we alvast we zelf doen?

Als we vaker cursussen opzetten voor onze eerste lijnscollega’s om de secundaire preventie te waarborgen zal motorische training, waar nodig, meer resultaat geven.

Tijd voor een NVST 'Werkgroep Visie Toekomst’? WVT en wvttk…

 

 

*             Wereldstotterdag   https://www.hetklokhuis.nl/tv-uitzending/4208/Stotteren.

 

Literatuur:

Ben van Cranenburg. Van contractie naar actie. Motorisch leven in dagelijks leven, sport, muziek en revalidatie. Houten 2016 BSL.

Margriet Sitskoorn. Ik2. Deventer, Vakmedianet 2016

Esther van Fenema, Het Ontstemde brein. Amsterdam, Water.

Jelle Jollis. Het puberbrein. Over de adolescent tussen biologie en omgeving. Amsterdam, AUP, 2017.

Ap Dijksterhuis. Het slimme onbewuste. Amsterdam, Bert Bakker, 2008